Cathy neemt deel aan Tuesday Talks over cultuur: Waarom is groter beter?

Door Cathy Coudyser op 26 mei 2020, over deze onderwerpen: Cultuur

Op dinsdag 26 mei nam ik deel aan de vierde editie van Tuesday Talks, een online paneldebat over urgente thema’s binnen de kunsten vandaag in Vlaanderen uitgaande van State of the Arts, Kunstenpunt en rekto:verso. Centraal tijdens dit gesprek stond de rol van de (grote) kunstinstellingen in verhouding tot de individuele kunstenaar.


Hieronder kan U het debat integraal herbekijken:

 

Rekto:Verso publiceerde bovendien onderstaand verslag over de vijf prangenste vraagstukken die tijdens het gesprek aan bod kwamen. 

Zijn hoge bomen beter? Onze Tuesday Talk IV is een les in bosbeheer

Als gevolg van de coronacrisis staat de cultuursector voor cruciale maanden. En dus faciliteren rekto:verso, Kunstenpunt en State of the Arts elke dinsdagavond een online debat rond een prangende vraag. Voor de vierde Tuesday Talk op 26 mei luidde die vraag: waarom is groter beter? Wij bundelen de belangrijkste inzichten over de rol van Kunstinstellingen, hun relatie tot kunstenaars en de grenzen van politisering.

Waarheen met onze Kunstinstellingen? Het is de vraag van meer dan één miljoen. Als het van minister van Cultuur Jan Jambon afhangt, zijn de instellingen de vuurtorens van cultureel Vlaanderen. Dat voelen ze alvast in de portefeuille. Waar gesubsidieerde organisaties in november nog zes procent moesten besparen, mocht de Play-off I van het Vlaamse kunstenveld de schade beperken tot drie procent. Ledigt het selecte kransje, zoals Jambons voorganger Sven Gatz beweerde, dan bepaalde noden voor het veld als geheel? En wat is de logica achter de Kerninstellingen die Jambon recent in het leven riep?

Over die hete hangijzers ging Wouter Hillaert in gesprek met Hicham Khalidi (directeur Jan van Eyck Academie), Cathy Coudyser (Vlaams parlementslid N-VA), Els De Bodt (directeur hetpaleis) en Michiel Vandevelde (choreograaf, programmator deSingel).

1. Waarom Kunstinstellingen?

Sinds 2005 kent Vlaanderen een ambassadeursrol toe aan enkele grote culturele organisaties. Hun werking is duurzaam verankerd en kan rekenen op een stabiele ondersteuning, maar in ruil wordt hun opdracht door de overheid strakker omlijnd. Vlaanderen erkent zeven Kunstinstellingen: de Ancienne Belgique, Brussels Philharmonic/Vlaams Radio Koor, Concertgebouw Brugge, Antwerp Symphony Orchestra, deSingel, Vooruit en Kunsthuis (Opera Ballet Vlaanderen). Ook de twee instellingen van de Vlaamse Gemeenschap, het M HKA en het KMSKA, worden hierbij gerekend.

De laatste jaren worden deze instellingen door het beleid steeds nadrukkelijker tot het hart van de kunsten uitgeroepen. In het regeerakkoord heten ze de artistieke topambassadeurs die Vlaanderen internationaal op de kaart zetten: ‘Zij moeten toonaangevend zijn inzake kwaliteit, publiekswerking, cultureel ondernemerschap en management en bieden talentontplooiingskansen aan.’

Strookt die mondvol met de realiteit? ‘Grote instellingen hebben meer middelen maar ook grotere verantwoordelijkheden’, legt Cathy Coudyser uit. ‘Ze hebben meer ruimte om jong talent en gevestigde waarden op internationale podia te krijgen, maar ook om hier buitenlands talent te tonen. Alleen staat de output voorlopig niet in verhouding tot de middelen die Kunstinstellingen voor die doelstellingen kregen.’

Is het dan wel zinvol om Kunstinstellingen met die taken (en middelen) op te zadelen? ‘In de praktijk kunnen instellingen ze maar gedeeltelijk invullen’, denkt Els De Bodt. ‘Sven Gatz koppelde hun legitimatie aan vijf functies: ontwikkeling, productie, presentatie, participatie en reflectie. Daartoe verhouden alle Vlaamse kunstenorganisaties zich, maar alleen de Kunstinstellingen moeten ze allemaal vervullen. Waarom eigenlijk? Met publiekswerking en participatie houden sommige Kunstinstellingen zich pas sinds deze beleidsperiode bezig, omdat het verplicht wordt. Is het dan niet beter om naar de eigenheid van elk huis te kijken, in plaats van die zeven instellingen per se als vuurtorens te moeten legitimeren?’

‘Vandaag stoten we op de grenzen van het huidige decreet’, geeft Coudyser toe. ‘We stellen vast dat de positie van de kunstenaar extra precair wordt, en dat er meer aandacht moet komen voor diens volledige loopbaan. Het recht van de sterkste is niet wat we willen, want dat zou verschraling betekenen. Maar laten we eerst kijken of de Kunstinstellingen meer kunnen doen, zoals kunstenaars naar een andere plek in het veld begeleiden. Als een artiest op het punt staat om door te breken, is het aan een instelling om internationale podia te zoeken waar dat talent verder kan ontluiken.’

2. Hebben onze Kunstinstellingen de oplossing?

In internationalisering hebben grote huizen zeker een rol te spelen, vindt De Bodt. ‘Een gezelschap als Kabinet-K is de laatste jaren gestaag gegroeid en kon in hetpaleis de stap zetten naar de grote zaal. Een huis als het onze vergroot op die manier de internationale mogelijkheden van zo’n gezelschap. Ook kleppers als Rosas hebben hun faam mede te danken aan een aantal grote huizen die zichtbaarheid creëerden voor haar werk. Maar het is niet zo dat alleen Kunstinstellingen voor internationale uitstraling zorgen. Dat doen gezelschappen en producerende huizen zelf ook.’

Als het veld dreigt te verschralen en kunstenaarscarrières niet altijd gelijkmatig verlopen, ligt de sleutel niet alleen bij Kunstinstellingen, vindt Michiel Vandevelde. ‘Er zijn veel soorten organisaties die je als kunstenaar doorloopt. Een kunstenveld is een ecosysteem waarin alle facetten belangrijk zijn. De organisaties die mij eerst steunden, waren fABULEUS, Het Bos en Bâtard Festival – eerder kleine spelers, die ‘veldwerk’ verrichten. Het idee dat grote huizen voor precaire kunstenaars moeten zorgen, eigenlijk iedereen zonder vaste structuur, staat dus ver van de realiteit.’

De verschraling van het kunstenveld is het resultaat van jaren besparingspolitiek, meent Vandevelde: een eenzijdige focus op Kunstinstellingen zal die tendens niet keren. ‘Vergeet bovendien niet hoeveel kleine organisaties doen met weinig middelen. Als choreograaf doe ik behalve de financiën en de spreiding van mijn werk alles zelf. Ik ben er niet zeker van of een grote instelling diezelfde output zou kunnen genereren met die middelen.’

De schaal van grote instellingen heeft in die zin ook nadelen, erkent Els De Bodt. ‘Voor huizen met een grote infrastructuur is het moeilijk om op zeer korte termijn te werken. Door hun schaal dreigen ze soms log te worden, er moet zoveel vooraf in de tijd gepland worden. Een mogelijke valkuil is dan dat ze onvoldoende de vinger aan de pols houden wat betreft artistieke en maatschappelijke ontwikkelingen. Wel is het een misvatting dat kunstenaars niet centraal zouden staan in de werking van grote huizen. Alleen is het maar de vraag wat de gevolgen zijn als je ondersteuning van kunstenaars gaat afdwingen. Riskeer je kunstenaars dan niet afhankelijk te maken van grote huizen en vice versa?’

3. Overschaduwen de hoge bomen het bos?

Autonomie zit namelijk in het DNA van de Vlaamse kunsten. ‘In de jaren 1980 konden onze organisaties en instellingen in navolging van een generatie kunstenaars groeien vanuit autonomie’, weet Vandevelde. Volgens de choreograaf schuilt daarin de rijkdom van de Vlaamse instellingen, in tegenstelling tot pakweg Duitsland en Frankrijk, waar de dominante stadstheaters de overheid toebehoren. ‘Ik heb het gevoel dat grote cultuurhuizen nog steeds in autonomie handelen’, zegt De Bodt, ‘zeker in vergelijking met cultuurcentra, die steeds meer verantwoording moeten afleggen aan lokale besturen. Die autonomie is een belangrijk argument waarom grote huizen een vuurtorenfunctie kunnen opnemen.’

Structurele beleidskeuzes kunnen wel indirect de autonomie beperken, geeft Hicham Khalidi aan. ‘We hebben het vaak over ecosystemen, een term die we aan de natuur ontlenen. Zo’n systeem moet je ontwerpen, bijvoorbeeld om fair practice te organiseren, maar je moet het ook loslaten. Als je een woord als participatie politiek gaat adopteren, dreigt het leeg te worden. Idealiter ontwerp je dus een systeem dat zichzelf ontwerpt. Een bos is – meer dan alleen hoge bomen – een biodiversiteit waarin het ene het andere voortbrengt. Waarin veel geëxperimenteerd en gefaald wordt. Pas als je instellingen hun eigen positie laat bepalen, creëer je excellentie en vernieuwing, net door de diversiteit van die posities. De vraag is dus: wil een beleid een gewone tuin of een permacultuur?’

‘Wij willen niet van bovenaf opleggen wie wat moet doen’, verduidelijkt Coudyser. ‘Zoiets gebeurt in dialoog met het veld. Wij zeggen wel wat we verwachten van instellingen en reiken middelen uit op basis van hun expertise en plannen. Maar als bepaalde organisaties te veel middelen krijgen ten koste van die anderen, dan klopt er iets niet. Daar hebben jullie honderd procent gelijk in.’

‘Een ecosysteem bevat een gelaagdheid die je moet koesteren’, zegt Khalidi, die via de Maastrichtse Jan van Eyck Academie het Nederlandse cultuurbeleid op de voet volgt. ‘In Nederland bestaat een goede gelaagdheid, al hebben de forse besparingen in 2011 er goed op ingehakt. Grote instellingen werden toen ontzien, maar er werd een deel van de humuslaag weggekapt, die voor de aanwas naar die instellingen zorgt. Wij als Jan van Eyck Academie kunnen niet zonder die onderlaag. Wie wil snijden, moet dus goed weten wat hij doet. Een goed systeem moet zowel verticale als horizontale dynamiek mogelijk maken. Hoe je een cultuursector ook organiseert, wat telt is dat je in alle lagen kunt voorzien.’

Belangrijk is volgens Khalidi dat elke laag in zijn waarde wordt erkend. ‘In het discours over excellentie en toptalent klinkt vaak een hiërarchie door. Dat lijkt me achterhaald. De notie van talent is vandaag zo breed dat je het niet meer tot een kwaliteitskeurmerk kunt reduceren. In essentie gaat het over diversiteit en verbreding, en dat is interessant nu ook het lokale naast het internationale komt te staan. Ik bepleit dus een cyclisch denken, waarbij alle facetten belangrijk zijn. Zo ondersteun je een beginnende organisatie met projectsubsidies. Als zo’n organisatie na drie jaar ophoudt, is dat oké. Als ze kan groeien, schakel je over naar structurele ondersteuning. In Nederland wilden ze ervoor zorgen dat de topinstellingen pas om de acht jaar subsidies zouden moeten aanvragen. Voor onze organisatie zou dat perfect zijn, want wij bestaan al 72 jaar. Zo kan een culturele basisinfrastructuur in de noden van iedereen voorzien.’

4. Waarom Kerninstellingen?

Die behoefte aan een langer perspectief was ook de reden waarom Jan Jambon de Kerninstellingen introduceerde. Zoals de Kunstinstellingen hebben die een beheersovereenkomst, een voorbeeldrol, een hoger ambitieniveau en een subsidieperspectief dat verder reikt dan vijf jaar. Maar de Kerninstellingen moeten slechts twee van de vijf basisfuncties te vervullen. Waar zit de logica?

‘De Kerninstellingen zijn ontstaan naar aanleiding van een vraag uit het veld’, zegt Coudyser. ‘De drie stadstheaters KVS, NTGent en Toneelhuis stelden vast dat ze volgens de huidige regeling niet langer dan vijf jaar vooruit konden plannen, terwijl ze toch gevestigde waarden zijn in Vlaanderen. Vandaar hun vraag om een instelling van de Vlaamse gemeenschap te worden. Op basis van het huidige decreet moet je daarvoor aan alle vijf functies voldoen, en het is niet zeker of ze dat zouden halen. Daarom hebben we de Kerninstelling als tussencategorie in het leven geroepen, om ook perspectief op de langere termijn te geven aan organisaties die too big to fail zijn.’

‘De vraag kwam alleen van die instellingen zelf’, zegt Vandevelde. ‘Er is niet zoiets geweest als een oproep vanuit het veld om hen te nomineren. Natuurlijk wil iedereen zekerheid over zijn voortbestaan. Maar op deze manier verdwijnt wel een gesprek. Kijk naar NTGent. Voor hun subsidiedossier kregen zij slechts een voldoende, en we weten allemaal dat dat komt door de moeilijke periode die ze achter de rug hebben. Wel, ik denk dat zo’n strenge beoordeling vanuit het veld net heeft bijgedragen tot de vernieuwing bij NTGent. De internationale jury die hen nu moet beoordelen, zal toch minder voeling hebben met het lokale verhaal. Zo’n gesprek als er nu geweest is, kun je dan niet verwachten.’

Els De Bodt hekelt de ongelijkheid tussen de organisaties. ‘Waarom blijven de Kunstinstellingen en komen er Kerninstellingen bij? Als het Kunstendecreet dan toch gewijzigd wordt, waarom dan niet het hele veld herbekijken? Nu geldt dat de Kerninstellingen maar aan twee functies moeten voldoen, terwijl de meesten onder hen wel alle vijf functies invullen. Het eigenlijke probleem is de koppeling van die vijf criteria aan de Kunstinstellingen, die simpelweg niet klopt. Maar aan de Kunstinstellingen wordt niet geraakt. Waar is dan dat ecosysteem waar u het over heeft?’

‘Iedereen zal aan die vijf functies voldoen in een kleine mate’, verdedigt Coudyser het beleid. ‘Ik wil verwijzen naar het erfgoedveld, dat al een stap verder staat. Je hebt er ook collectiebeherende topinstellingen met een uitstraling, schaal, bereik en relevantie op internationaal niveau. Maar ook landelijke en regionale organisaties, die eveneens een dienstverlenende rol in het veld opnemen. Als een organisatie zijn expertise ten dienste wil stellen van het veld, krijgt die daarvoor subsidies en zullen we de output over vijf of zes jaar evalueren. Dat is ook wat we bij Kern- en Kunstinstellingen zullen doen: een goede beheersovereenkomst zoeken, waarin bekeken wordt hoe ook zij beter maatwerk kunnen verrichten ten dienste van het veld. Niets belet ons om op basis van nieuwe subsidieaanvragen en hun beoordeling een organisatie in te delen in een andere categorie.’

5. Gelijke kansen voor alle organisaties?

‘Instellingen gaan nu rechtstreeks met de overheid een beheersovereenkomst aan, waarin ook steeds meer vragen moeten worden beantwoord’, zegt Vandevelde. ‘Wat uit het kunstenveld is verdwenen, is dan toch een gesprek. Het overlegsysteem dat ooit rond de projectsubsidies bestond, bestaat niet meer. Aan de beoordeling zelf zijn allerlei criteria toegevoegd. Minister Jambon zegt in de visienota vertrouwen te schenken aan de sector, maar er wordt steeds meer schriftelijk vastgelegd.’

‘Ook moeten voor kleine en grote spelers dezelfde spelregels kunnen gelden’, vindt De Bodt. ‘Iedereen heeft recht op een gesprek en een beoordeling op maat. De vraag van de stadstheaters is er ook gekomen omdat ze het gevoel hadden op één hoop te worden gegooid met organisaties die bij wijze van slechts duizend euro vroegen. Het verschil is ook gigantisch tussen organisaties die op papier een aanvraag indienen en de Kunstinstellingen die hun plannen mondeling mogen toelichten voor een internationale jury. Zelf zat ik vijftien jaar in een beoordelingscommissie, waarmee we op bezoek gingen bij organisaties voor een gefundeerd gesprek. Elke organisatie verdient vandaag beoordeeld te worden door een expert die haar werking kent. Ik pleit voor gelijkwaardigheid daarin.’

‘Misschien is de aandacht te veel naar de grote instellingen gegaan’, reageert Coudyser, ‘maar het is ons echt om een ecosysteem te doen. Ik noem het soms een lasagne met verschillende lagen. Daartussen zit de saus die bindt. Nu staan we aan de start van onze oefening. De visienota ligt er, nu moeten we in dialoog kijken hoe we een nieuw decreet kunnen vormgeven om die lasagne optimaal te krijgen. Daarin willen we ook naar onder kijken en elke organisatie gelijke kansen geven volgens haar eigen expertise en verantwoordelijkheden. Kunstinstellingen en Kerninstellingen hebben een beheersovereenkomst, maar ook andere instellingen willen we – in dialoog – een bepaald ambitieniveau meegeven.’

‘Kan er dan een gesprek worden gecreëerd waarbij we niet zo strikt meer die vijf functies moeten vervullen?’, vraagt Michiel Vandevelde zich af. ‘Iedereen benadert die toch anders, want je kunt een symfonisch orkest niet vergelijken met pakweg Vooruit. Of sterker: wat als je die grote Kunstinstellingen van de Vlaamse gemeenschap als commons beschouwt waarover de gemeenschap ook zelf zijn zegje mag doen? Hoe maak je een representatieve doorsnede, die met instellingen in gesprek kan gaan en misschien zelfs hun dossiers beoordeelt? Je zou een groot debat per instelling kunnen organiseren, zoals de burgertop G1000 van David Van Reybrouck of het 100% City-project van Rimini Protokoll, waarbij elke stad op het podium door honderd van haar inwoners wordt vertegenwoordigd. Zo’n gesprek is beslist lastiger, maar het is een manier om de gemeenschapsrol van onze instellingen radicaal door te denken.’

 

Hoe waardevol vond je dit artikel?

Geef hier je persoonlijke score in
De gemiddelde score is